vrijdag 20 november 2009

# 167 Een liefde van Reve

De langverwachte biografie Gerard Reve: Kroniek van een schuldig verschijnt in drie delen. Het eerste, De vroege jaren (1923-1962), is pas uit; het tweede en derde deel volgen in respectievelijk de lente en herfst van 2010. De Standaard der Letteren zal per deel de voornaamste personen in Reve’s leven centraal stellen. In dit eerste deel is dat Reve’s echtgenote, Hanny Michaelis. Onderstaand artikel verscheen in de Standaard der Letteren van 20 november. (Voor de puntje op de i: in de krant werden aan de biograaf twee sterren toegekend, dat moesten er drie zijn.)

Hoe groter geest,
hoe groter beest

Ook al noemde Gerard Reve zichzelf later ‘kampioen homoseksueel van Noord-Holland en koloniën’, in de jaren ‘50 was hij getrouwd met een vrouw. Het huwelijk komt uitvoerig aan bod in de biografie Kroniek van een schuldig leven.

Toen Gerard Reve voor het eerst op bezoek ging bij Hanny Michaelis, beval hij haar onder de lamp van de wastafel te gaan staan. Hij zei dat ze haar mond moest opendoen, tikte met de nagels tegen haar tanden en concludeerde: ‘Het gebit is goed.’ Hanny Michaelis (1922-2007) was Joods en had haar ouders verloren aan de Holocaust. Later diezelfde avond gingen Hanny en Gerard met elkaar naar bed.
Michaelis en Reve leerden elkaar kennen ten kantore van de uitgeverij Meulenhoff. Michaelis was daar stenotypiste en assistente van de redactie. Reve had tijdens de oorlog een eerste relatie gehad, met Tine Fraterman. Dat was een ‘vechtrelatie’, aldus biograaf Nop Maas, en het zou met Hanny niet anders worden. Het verschil was echter: Fraterman knapte af op de ruzies, terwijl Michaelis een opvliegend karakter had, dat als bumper functioneerde voor Reve’s kleine kantjes. Een ander verschil was dat de Gerard die Hanny leerde kennen, een beloftevol jong auteur was: zijn debuut De Avonden was pas bekroond. Hanny bewonderde Gerard en vergoelijkte zijn gedrag: ‘men zegt niet voor niets: hoe groter geest hoe groter beest’. Anderzijds gaf ze haar “succesauteur” vaak lik op stuk. Na het succès d’estime van De Avonden ging Gerard dingen zeggen als: ‘La littérature c’est moi’. Hanny noemde hem ‘l’auteur soleil’.
Het koppel trouwde op 9 december 1948. In de pers werden grapjes gemaakt, genre: ‘Verwacht wordt dan ook, dat zijn tweede roman milder zal zijn.’ ‘Vanaf het begin van zijn schrijversloopbaan heeft Reve’s privéleven zich in de pers afgespeeld’, concludeert Maas.

Etter
In een Nederlandse recensie van Maas’ biografie werd Reve omschreven als ‘een diepernstige etter’. Het is waar, de befaamde schrijver wekt in dit boek zelden de indruk een aangenaam of makkelijk mens te zijn geweest. Zelfs zijn eigen biograaf tikt Reve soms op de vingers, bijvoorbeeld voor de weinig empatische manier waarop hij zijn echtgenote behandelde, aan het einde van hun huwelijk.
Niet dat dat huwelijk één doffe ellende was. Hanny en Gerard gingen graag uit, langs bij vrienden of naar de film. Hanny deed flink mee als Gerard, samen met Willem Frederik Hermans, andere Nederlandse schrijvers zat af te kammen. (Hermans en Reve hadden in die periode een hechte vriendschap. ‘De vriendschap ging zelfs zo ver dat Hermans en Reve elkaars ouders bezochten om te zien wie het ergst waren.’)
Niettemin stak Reves homoseksualiteit al snel stokken in de wielen. Hij was ervoor in therapie geweest en beschouwde zichzelf als “genezen”. Nog geen drie maanden na zijn huwelijk maakte hij echter plannen om met een “goede vriend” een reis van vier maanden naar de VS en Canada te ondernemen. Het werd Parijs, maar dat deed niets af aan de jaloezie van Michaelis.
In het najaar van 1951 werd Reve verliefd op de Engelse dichter-vertaler James Holmes, aan wie hij in een brief schreef:
I am still trying to understand why this all came over me: perhaps it is a punishment for my maltreatments of animals in my youth.

In een minder ironische passage verzekerde hij James dat, als die zich bedrukt voelde, grote groepen dieren verward gingen zitten en weigerden te eten of te spelen.
Ook Michaelis was overigens gecharmeerd door James Holmes. Hij was het dan ook die haar ‘bijzonder fijngevoelig’ op de hoogte bracht van Gerards homoseksualiteit, terwijl de schrijver zelf, bijzonder diplomatisch, een blokje om deed.
Nochtans was het huwelijk daarmee niet over en uit. De twee bleven samen en er waren ook ‘seksuele betrekkingen’, zoals dat nuffig heet. Maar bij Michaelis groeide verlatingsangst en bij Reve schuldgevoel. Beiden bezochten een psycholoog en geleidelijk besefte Michaelis dat zij van ‘hinderpaal’ veranderd was in een ‘neutrale factor’: ‘Dat lijkt me geen verbetering.’ Tegen 1955 was het tweetal nog steeds getrouwd en hadden zowel Hanny als Gerard een minnaar.
Extra pijnlijk is dat Michaelis zich minderwaardig voelde. Ze legde de lat voor zichzelf consequent te hoog, zodat ze jarenlang niets op papier kreeg. Daarvoor gaf ze niet haar huwelijk, maar zichzelf de schuld. Haar huwelijk zag zij juist als een positief punt: haar inkomen onderhield Gerard, die vrij ongestoord voort kon schrijven. De suggestie van haar therapeut, dat ze misschien toch eens een echtscheiding zou mogen overwegen, joeg haar angst aan, ‘alsof ik op het punt stond te worden beroofd van het enige dat mijn leven zin gaf.’
Nop Maas geeft Michaelis in zijn Reve-biografie alle ruimte. In het hoofdstukje ‘Bitter overzicht’ citeert hij uitvoerig uit een brief van haar, gedateerd 24 juli 1956, waarin zij de balans opmaakt van haar huwelijk. De lezer mag zich gelukkig prijzen dat ook Michaelis schrijfster was en dus vloeiend formuleert. Vloeiend, bitter en glashelder. ‘Het komt er in wezen op neer dat ik jarenlang in de illusie heb geleefd dat kameraadschap voldoende is om een dragelijk huwelijk te leiden.’ Intussen zag Hanny zich verplicht om het huis te verlaten als Gerard zijn vriend Wimie ontving, met de duidelijke afspraak dat ze op dit of dat tijdstip zou terugkeren. Je kan niet zeggen dat ze dwarslag.

Op 23 juli 1959 gingen Hanny en Gerard officieel uit elkaar. Volgens Maas maakte de dichteres er geen drama van. Ze zei hem, over haar huwelijk: ‘Ik heb er nooit spijt van gehad en we hebben verschrikkelijk met elkaar gelachen.’ Een dame met haar op de tanden? Inderdaad, haar gebit was goed.

Nop Maas, Kroniek van een schuldig leven: De vroege jaren. Van Oorschot, 732 blz.

donderdag 19 november 2009

# 166 Terugblik op de Boekenbeurs 2009

Dit artikel verschijnt in het nieuwe nummer van Boekblad Magazine (zie afbeelding).

Geen crisisbeurs

Woensdag 11 november sloot de Boekenbeurs te Antwerpen haar deuren. Het was dit jaar big business as usual, zonder een spoortje crisis. Een terugblik aan de hand van drie opmerkelijke stands.

Het Bronzen Huis: BV-stand zonder ruzie
De Boekenbeurs heeft graag een “uitdager”. Het hoort bij de folklore, zo’n in het oog lopende nieuwkomer die de gevestigde waarden opjut. Het ene jaar is dat Borgerhoff & Lamberigts, die een trend zetten met sportboeken en biografieën van jonge Bekende Vlamingen (BV’s). Dit jaar heette de uitdager Lampedaire. Het smeuïge signeerconflict tussen uitgeefster Valerie Lempereur en Jean-Pierre Van Rossem haalde de grote media, maar in de sector is vooral het Sien en Maria-incident blijven hangen: Lempereur kaapte het poetsvrouwenduo, bekend van televisie, weg bij Van Halewyck en bracht een boek uit dat nogal sterk leek op wat eerder bij de Leuvense uitgever verscheen.
Je moet Lempereur nageven dat ze weet wat haar lezers willen: bekende koppen. Op de luifel boven de stand van Lampedaire stond, in grote kapitalen, welke BV’s die dag zaten te signeren. Hier geen bescheiden naamkaartjes op de tafels zelf: je kon de namen van ver lezen.
Terwijl de stand van Lampedaire ruzie en roddels opleverde, was het een andere, relatief nieuwe uitgeverij die scoorde met een BV-boek. Vrij vrouwelijk bevat erotische korte verhalen, geschreven door vrouwelijke BV’s. Het boek kreeg in de aanloop naar de Boekenbeurs een redelijk goede pers (zij het tongue in cheek) en gaf een gezicht aan Het Bronzen Huis, een uitgeverij die voordien amper bekendheid genoot. Het Bronzen Huis was vooral actief als importeur (o.m. voor Sanoma en Big Balloon) maar die importfunctie wordt binnenkort op een lager pitje gezet, aldus zaakvoerder Eddy Van Gestel. De uitgeverij gaat human interest en koffietafelboeken maken, zegt hij, niet zomaar BV-boeken. ‘Eén van de auteurs die meewerkte aan Vrij vrouwelijk kreeg tijdens de Boekenbeurs devraag of ze geen boek wilde publiceren bij een bepaalde uitgeverij. Wat voor boek, deed er niet toe. Zolang haar naam er maar op stond. Zo willen wij niet te werk gaan.’ In vergelijking met vorig jaar boekte Het Bronzen Huis op de Boekenbeurs 20% meer omzet.

Standaard Boekhandel: stand zonder boeken
Eveneens 20% meer omzet boekte Standaard Boekhandel, dat op de Boekenbeurs een stand heeft zonder ook maar één boek: je koopt er uitsluitend dvd’s. Toen enkele jaren geleden bij Boek.be besloten werd dat een stand op de Boekenbeurs een soort thema moet hebben, koos Standaard Boekhandel voor multimedia. Nu de cd-rom zo’n beetje tot het verleden behoort, is de dvd in de plaats gekomen. De dvd-producenten dragen financieel bij aan de standhuur; selectie, opbouw en “bemanning” worden wel geregeld door Standaard Boekhandel.
Verkoopsdirecteur Daniël Dullers herinnert er aan dat Standaard Boekhandel, zoals elk jaar, vlak voor de Boekenbeurs haar opendeurdagen hield. ‘Tijdens die drie opendeurdagen krijgen we, verspreid over al onze winkels, meer bezoekers over de vloer dan de hele Boekenbeurs’, zegt Dullers. En het is alsof de duivel er mee speelt, maar: ook die opendeurdagen resulteerden in een omzetstijging van om en nabij de 20%.

eBook: stand zonder papier
Nee, het Vlaamse boekenvak lijkt de crisis niet te voelen. Zelfs de eReader, bepaald niet het goedkoopste product op de beurs, werd gretig besnuffeld. Er stonden continu geïnteresseerden op de stand waar de BeBook werd gepresenteerd. De reacties waren hoopgevend, zegt Jef Maes (Boek.be). ‘De mensen denken dat ze teksten moeten aflezen van een soort computerscherm en ze zijn aangenaam verrast door de technologie en de leesbaarheid van de eReader.’
Vooral 45-plussers waren zeer te spreken over de eReader. Het lijkt hen handig om mee te nemen op reis, al kijken ze toch nog even de kat uit de boom: totdat je de krant kan lezen op de eReader, totdat je toestellen met touchscreen hebt, totdat er Wifi-verbinding op zit, enzovoort...
De verkoop van eBooks bleef naar verwachting bescheiden, maar de infosessies die Boek.be organiseerde voor boekhandel en uitgeverij werden gretig bijgewoond. De boekhandel ziet wel brood in de promomogelijkheden van het eBook, aldus Maes. Er zijn nu al drie “schaduwsites” verbonden aan eBook.org: die van CoLibro, Unieboek en De Groene Waterman. Fnac zal in zijn eindejaarsfolder met eReaders uitpakken; eind november zullen Lannoo-titels elektronisch beschikbaar worden. Blijft nog een prangende vraag voor de auteurs: hoe signeer je een eBook? Het antwoord op een volgende Boekenbeurs.


woensdag 18 november 2009

# 165 Een interview met Joost Vandecasteele

Artistiek asiel in Brussel

Zonder de grootstad had het debuut van Joost Vandecasteele er nu misschien niet gelegen. Of het had er in elk geval anders uitgezien. --- Een interview met Joost Vandecasteele, afgenomen naar aanleiding van het Passa Porta Festival 2009; vandaar de vragen over steden in het algemeen en Brussel in het bijzonder. Verscheen in de Standaard der Letteren van 27 maart 2009.

Vrij fundamentele vraag, Joost: wat voor boek is jouw debuut eigenlijk? Een roman of een verhalenbundel?
‘Objectief is het een bundel kortverhalen die iets met elkaar te maken, maar ik zie het eerder als een kroniek van een stad – die is het hoofdpersonage – waarin mensen proberen te overleven, waar je menselijke proberen te blijven. Ik wou geen verhalenbundel waarin elk verhaal een eilandje is. Ik zie het soms als een game, met extension packs. Bij Grand Theft Auto IV kan je een extension kopen, The lost and damned, dat zich afspeelt in dezelfde stad, maar een andere buurt belicht.’

Is die stad Brussel?
‘Dat ik in Brussel woon heeft natuurlijk wel een impact, maar ik heb bewust niet lokaal geschreven. De stad in Hoe de wereld perfect funtioneert zonder mij is een fictieve, maar voor mij heel realistische mengeling van Brussel, San Francisco, Singapore en Gotham City.’

Mogen we delen van Brussel herkennen?
‘Ja, de shopping mall CityBis, bijvoorbeeld. Dat is City 2, het winkelcentrum aan de Nieuwstraat. Enkele jaren geleden kwam dat in het nieuws, omdat de zitbanken er werden weggehaald, als een maatregel tegen hangjongeren. Daar kwam geen reactie op. Niemand vond dat artikel blijkbaar raar. Het verhaal is voortgekomen uit mijn woede daarover. Het is een goed voorbeeld van wat ik wil doen: proberen sociale tendensen te snappen en te verwerken. Ik ben van de televisiegeneratie, een geboren toeschouwer.’

Ik hoorde je in Mezzo zeggen: ‘Iedereen in Brussel is bang, vooral vrouwen, je ziet het in de lichaamstaal, in de manier van ontwijken.’ Dergelijke dingen staan ook in het verhaal ‘Waarom ik doe wat ik doe’. Het zijn opmerkingen die je verwacht van Jean-Marie Dedecker. Ben jij “rechts voor de raap”, Joost?
‘Ik meen dat, tot op bepaalde hoogte. Ik weet dat het niet klopt, want ik ben niet bang en ik ken voldoende mensen die evenmin bang zijn. Maar het is er wel. Kijk, ik vind het prettig als de lezer zich ongemakkelijk gaat voelen. Je zit lekker thuis, gezellig een boek te lezen en toch sluipt er iets in je. De gebeurtenissen in mijn boek zijn cynisch, maar mijn personages niet. Die gaan er juist tegen in. Het beeld van de stad is rechts en angstaanjagend, maar de mensen die er in overleven, leggen zich daar niet bij neer. Er zit een revolutionair kantje aan die personages. De vrouwen in het boek zijn bijvoorbeeld echte stadswijven. Ik ken dat soort wijven. Er gebeuren nare dingen in grootsteden en daarom is het fantastisch dat mensen, vooral vrouwen, zich niet laten doen, door bepaalde elementen, door constante versiertrucs of agressieve uitlatingen.’

Ik las in een ander interview dat je voor de familieruzie in het verhaal ‘Nooit meer vrede’ weinig hebt moeten overdrijven: je putte uit je ervaring als West-Vlaming. De West-Vlaming komt er alweer bekaaid van af. Wat zit er daar eigenlijk in het water?
‘Je hebt in West-Vlaanderen twee keuzes: blijven en aanpassen of weggaan en blijven bewijzen dat het anders kan. Let op, ik ben niet bezig met anti-bourgeois-statements. Sommige mensen willen meemaken wat hun ouders hebben meegemaakt, willen wonen waar ze geboren zijn en willen een dialect praten dat vijftig kilometer verderop niemand meer begrijpt. Prima, oké, dik in orde. Ik weet alleen dat het voor mij gewerkt heeft om artistiek asiel te krijgen in Brussel. Ik heb het nodig gehad om van nul af aan te beginnen. Dat is het geweldige aan grootsteden: ’t zijn startpunten.’

Je hebt de befaamde Paul Sebes als literair agent. Hoe is dat?
‘Als Vlaming in de Nederlandse schrijversvijver heb je zo’n commerciële mens nodig. Er is een belangrijk verschil: in Vlaanderen is literatuur en gesubsidieerde kunstvorm, in Nederland is het een bedrijfstak op zich. De gebouwen van die uitgeverijen en hun inrichting zijn letterlijk bedoeld om te imponeren. Paul Sebes is een sluis, een waarde-oordeel op zich. En hij is een geweldig agent. Hij stuurt bijvoorbeeld een mail rond om te zeggen: Vandecasteele zal maar één dag in Amsterdam zijn, dus als u hem wil spreken – ’t is nu of nooit. Alsof ik een galerij in New York ga openen! En het is stom, maar het werkt. Er hoeft maar één uitgeverij interesse te tonen en alle anderen volgen.’

Je kon kiezen tussen verschillende uitgeverijen. Waarom werd het De Arbeiderspers?
‘Omdat zij geloven in kortverhalen. De andere uitgeverijen hadden wel interesse, maar zagen liever eerst een roman. Als je naam daarmee gemaakt is, mag je nadien een verhalenbundel publiceren. Bij De Arbeiderspers zei men: dit is goed genoeg, in welke vorm dan ook. Bovendien vergeleken ze me met de juiste mensen. Ze kwamen niet af met Houellebecq en Grunberg, maar met Cormac McCarthy en J.G. Ballard.’

In het slotverhaal van je boek verdwaalt iemand in het enorme flatgebouw dat hij bewoont. Uiteindelijk vindt hij de architect, misschien de schepper van het gebouw, die hij neerslaat. Waardoor het gebouw begint in te storten. Hebben je personages een zelfdestructief trekje? De titel, Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij, wekt ook al niet de indruk dat de “mij” overtuigd is van zijn eigen waarde.
‘Wij, echte mensen, kunnen het animale in ons onderdrukken, maar ik zet mijn personages in vrij extreme situaties. Ze leven in een gecondenseerde realiteit, waarin alles continu op ontploffen staat. Dat maakt hen ambitieuzer, doet hen meer seks hebben, meer geweld plegen. Ik zie verwoesting trouwens niet als iets negatiefs. Het is een beginpunt. Dat slotverhaal is een scheppingsverhaal, want er kan een andere wereld uit voortkomen. Ik denk dat de generatie na de onze het heel anders zal aanpakken, zowel de wereld als de literatuur.’

dinsdag 17 november 2009

# 164 Een interview met Ivo Victoria

IVO VICTORIA OP AVONTUUR IN DE LITERATUUR
‘Paul Sebes zei meteen: ah, incest!’

Ivo Victoria. De man van het gehypete en geprezen debuut, de man van drie drukken en tienduizend verkochte boeken. De man aan het woord.

Hans Van Rompaey over “Ivo Victoria”
‘Dat pseudoniem is mijn pornonaam. Ik pikte uit een film van Tarantino op dat je pornonaam bestaat uit je tweede voornaam en de straat waar je bent geboren. Goed, mijn tweede naam is Ivo en ik ben opgegroeid in de Victoriastraat in Edegem. Dat viel ontzettend mee. Je hoort ook wel eens dat je als voornaam de naam van je eerste huisdier moet gebruiken, maar dan was het Fifi Victoria geworden. De mooiste pornonaam die ik ken, is die van mijn baas bij Lowlands: Heinrich Middeldrift. Ik denk dat die naam wel eens zal opduiken in een verhaal of een boek. Te mooi om te laten liggen.’
‘Ivo Victoria is nu vier jaar geleden bedacht, voor mijn weblog. Ik werkte toen voor het Lowlands-festival, en als perswoordvoerder kwam ik in Nederland redelijk veel met mijn eigen naam in de pers. Ik wou vrijuit dingen kunnen schrijven op mijn weblog, zonder dat daardoor mijn functie gehypothekeerd zou worden. Daarbij is wat ik op die blog schrijf, niet noodzakelijk mijn mening. Het is niet één-op-één.’

Over de Ronde van Frankrijk-leugen
‘Ik heb ooit mijn beste vriend op de lagere school wijsgemaakt dat ik de Ronde van Frankrijk gewonnen heb. De laatste keer dat ik ‘m zag, rond ons achttiende, bleek uit het gesprek dat hij dat nog altijd geloofde. Heel gênant moment! (lacht) Ook wel een mooi moment.’
‘Mijn hoofdpersoon reist terug naar zijn jeugd, om die leugen te gaan ontzenuwen. Dat is niet normaal. Een normaal mens haalt dat niet in z’n hoofd. Ik heb zelf pas gaandeweg ontdekt wat er met ‘m schortte: het draait om de angst niemand te zijn, supernormaal en gewoon te zijn. Dat leeft wel, vind ik. Idols, reality-soaps, Big Brother, bloggen... – iedereen wil bijzonder zijn, desnoods op microniveau. Dat betekent echter ook dat veel mensen teleurgesteld worden. Ben je echt geslaagd in je micro-BV-schap, als je 623 vriendjes hebt op Facebook?’

Over wielrennen en de hype
‘Ik ben een grotere voetbal-, dan wielerfanaat, maar ik volg het nog wel. Het dopingcircus heeft me doen afhaken. Naar mijn gevoel is er veel heroïek verdwenen. Je zou haast wensen dat ze allemaal weer ongehinderd mogen slikken en spuiten, want alle interessante, flamboyante figuren verdwijnen uit het peloton. Ik hou van de helden en hun prestaties. En die vervagen, omdat ze gewoon niet meer zo hard mogen fietsen. (lacht) Ik was een grote fan van Lucien Van Impe [die een rol speelt in Victoria’s boek, mc]. Reed altijd bij slechte ploegen. Vocht tegen de overmacht. Was eigenlijk kansloos. En dan toch blijven aanvallen! Dat blijf ik de mooiste coureurs vinden, degenen die wars van techniek, puur op branie, aanvallen. En dat ook luidkeels van tevoren aankondigen, zoals mijn hoofdpersoon. En zoals ik, want al een jaar voordat het boek verscheen, had ik het in alle kranten al aangekondigd.’
‘Nee, merkwaardig genoeg woog dat niet op het schrijven. Ik werd pas nerveus toen het boek klaar was. Toen realiseerde ik me opeens dat ik wel een heel makkelijk slachtoffer ben voor wie de hype wil onderuit halen. Ik heb veel plezier beleefd aan het schrijven. Voor mij was dit een ontdekkingstocht. Ik had nog niet eerder zo’n lange tekst geschreven, ik was niet bezwaard door eerdere boeken.’

Over de kunst van het schrijven
‘Wat ik geleerd heb van het bloggen, is hoe mensen een tekst lezen. Uit de reacties kon je afleiden hoe ze iets gelezen hadden en heel vaak was dat niet hoe ik het bedoeld had. Dat is niet erg; het was juist grappig en interessant. Ik ben geïnteresseerd in perceptie, in de grens tussen fantasie en realiteit. Mensen zien wat ze willen zien, lezen wat ze willen lezen. Daar gaat dit boek over. Gaandeweg leerde ik beter inschatten welke interpretatiefouten mensen waarschijnlijk zullen maken. Zo krijg je meer controle over hoe je zelf schrijft. Je gaat begrijpen welke knoppen je moet indrukken om een bepaald effect te sorteren.’
‘Je herinnert je dat het boek begint met de vader die zijn zoon wekt en met zijn handen naar diens heupen tast. Dat is om hem wakker te kietelen, maar Paul Sebes [de literair agent die vorig jaar van Ivo Victoria een hype maakte, mc] zei meteen: ah, incest! Blijkbaar dachten veel mensen hetzelfde. Incest was niet aan de orde in het verhaal, maar het zette me wel aan het denken. Het principe heb ik een paar keer hergebruikt: dingen opschrijven zonder ze echt te bedoelen. Dat kan een spanning creëren in de tekst. Sommige pagina’s heb ik geschreven vanuit de idee dat de hoofdpersoon en Dries, zijn jeugdvriend, een homoseksuele relatie hebben. Dat wordt eigenlijk niet bevestigd in het boek, maar je kan het er wel in lezen. Dergelijke onderhuidse leidmotieven brengen je op onverwachte paden.’
‘Ja, het klopt dat ik nog allerlei zaken aan het ontdekken ben. Dat maakte het schrijven van Hoe ik nimmer... zo spannend. Soms plakte ik stukken uit vier jaar weblog in mijn tekst, of losse fragmenten, zaken die ik had opgeschreven in m’n notitieboekje. Die stukken hadden op zich niets te maken met het boek, maar de knip-en-plak-techniek zorgt voor interessante contrasten, die je niet in de flow van het schrijver bedacht zou hebben. Je plakt ergens een alinea tussen en je kijkt wat er gebeurt. Een paar weken later blijkt dat de puzzel toch klopt.’

Over levensverhalen
‘Er lagen een paar ideeën voor boeken klaar. Ik had een aantal andere schetsen, die potentiële boeken hadden kunnen worden – of nog zullen worden. Maar voor dit verhaal vond ik opeens de juiste toon en dat voelde ontzettend goed. Het maakte me heel enthousiast. Bovendien kon ik meteen aan de slag: dit verhaal zou zich afspelen in Edegem, waar ik vandaag kom, dus ik hoefde niets te researchen. Een ander plan, dat ik misschien nog wel eens uitwerk, was het levensverhaal van een man, verteld door drie verschillende ooggetuigen, na zijn dood. Maar daarvoor moest ik echt met mensen gaan praten, interviews doen... Terwijl mijn jeugdherinneringen, bij wijze van spreken, in de schuif lagen; ik hoefde ze maar open te trekken.’

Over Edegem en Amsterdam
‘Ik heb het boek voorgesteld op de jaarmarkt in Edegem, dus ja, er is feedback gekomen uit Edegem. (lacht) Ik werd laatst geïnterviewd in het Radio 1-programma Kunststof en als voorbereiding hadden ze de voorzitter van de Raad van Cultuur van Edegem naar zijn mening over het boek gevraagd. Die had gezegd: tja, kijk, hij heeft gelijk, er gebeurt hier niet veel en er is eigenlijk geen sociaal leven. Dat type reactie heb ik nog een paar keer gekregen. Mensen vinden het niet erg, wat ik schrijf. Blijkbaar zien ze Edegem zelf ook een beetje zo. Bovendien heb ik een heel gelukkige jeugd gehad in Edegem, ik heb niks tegen die plek.’
‘Mijn vriendin werkte bij dezelfde platenmaatschappij als ik, maar ik in België en zij in Nederland. Zij is Frans, maar woont al veertien jaar in Amsterdam. En ik ben haar naar hier gevolgd. Amsterdam is een geweldige stad om te wonen. Vlamingen worden hier overigens heel erg gewaardeerd. Dat clichébeeld van exotisch en bourgondisch blijft in leven, ja. Maar andersom bestaan die clichés ook én zijn ze negatiever. Vlaamse schrijvers krijgen hier een goede pers en worden gelezen, terwijl Nederlandse schrijvers alle moeite van de wereld hebben om in Vlaanderen voet aan de grond te krijgen. Er verschijnen hier ook mooie dingen, hoor. Gustaaf Peek, Tommy Wieringa, Walter Van den Berg...Vooral die laatste lees ik graag, omdat hij stilistisch mijn tegenpool is.’

Dit interview werd geschreven voor het eerste Boekenbeurs 2009-nummer van de Standaard der Letteren.

maandag 16 november 2009

# 163 Een interview met Annelies Verbeke

ANNELIES VERBEKE BEVRIJDT ONS VAN EMOTIES
‘Het is normaal om af en toe te crashen’

Overbevissing, liefdesverdriet en het wonder van de evolutie: de nieuwe Annelies Verbeke combineert beschouwing met humor en engagement met autobiografie. Vissen redden, haar beste boek.

Ik ben in Gent en aan de andere kant van mijn koffie zit een schrijfster die me onderhoudt over de Tiktaalik. ‘De Tiktaalik is de evolutionaire schakel tussen vis en landdier,’ doceert Annelies Verbeke. ‘Hij heeft zich “opgedrukt” en is uit de zee gaan lopen. Wat we hier zien, is een belangrijk moment in de evolutie – en de reden ervoor is vluchtgedrag. De Tiktaalik is de strijd in het water ontvlucht. Andere vissen ontwikkelden scherpere tanden, werden groter of pantserden zich, maar de Tiktaalik een beweegbaar polsgewricht om andere oorden mee op te zoeken.’
Evolutie en vluchtgedrag zijn belangrijk in Vissen redden, de zopas verschenen roman van Annelies Verbeke. Het is haar derde, na Slaap! en Reus, en naar mijn mening haar beste.

In Vissen redden maken we kennis met Monique Champagne. Wat een naam. ‘Met die naam ben ik vertrokken, twee jaar geleden. Ik zat in bad en hoorde op de radio een interview. Twee monotone stemmen die doorboomden over een zeer ernstige economische kwestie. En één van die sprekers heette Champagne. Dat wou ik: een feestelijke naam voor iemand die door een moeilijke fase in haar leven gaat. Waar haar voornaam, Monique, vandaan komt, weet ik zelf niet. Het is gewoon een leuke tegenstelling in toon tussen voor- en achternaam. In Groener gras [haar derde boek, een verhalenbundel, mc] loopt er ook een Laetitia Blommaert rond.’

Monique Champagne is schrijfster. Correctie: ex-schrijfster, want Monique heeft zich van fictie afgekeerd en werpt zich in de strijd tegen de overbevissing. Ze krijgt een uitnodiging om op een reeks viscongressen een bijdrage te leveren, een “emotionele noot” tussen de academische lezingen door. Monique aarzelt geen moment en stapt op het vliegtuig. Dat ze wegvlucht voor haar liefdesverdriet, snapt de lezer meteen. ‘...[ze] laadde de vaatwasmachine uit. De meeste serviesonderdelen waren oorspronkelijk niet alleen van haar, maar nu wel, nu wel.’
‘Mensen kunnen heel boeiende fixaties ontwikkelen, om zich niet over te geven aan hun verdriet,’ zegt Verbeke. ‘Ik ken een man die geobsedeerd is geraakt door zijn hond, nadat zijn vader stierf. En een vrouw die voortdurend met geld in haar hoofd zit en extreem gierig is geworden sinds de dood van haar man. Moniques afleidingsmanoeuvre is de vis.’

Wrede komedie
In de eerste hoofdstukken stelt Vissen redden zich aan de lezer voor als een komedie. Over het afscheidsfeestje dat Monique organiseert schrijft Verbeke: ‘De rest van de nacht sloop ze langs de muren van haar volle huis en liet ze zich knuffelen door wie daar behoefte toe voelde.’
Op de congressen is Monique een vis op het droge. ‘Het was geen geweldig plan van die instantie om haar op die congressen te droppen’, lacht Verbeke. ‘Het is haar wereld niet en dat valt op. Omdat ze het schrijven heeft opgegeven, wil ze dolgraag bij de wetenschappelijke wereld horen, maar ze heeft daar geen band mee. Zij is fundamentalistisch, terwijl wetenschappers met details bezig zijn, zoals de loodophoping in de testis van de doornhaai.’
Verbeke schudt het voorbeeldje zonder moeite uit haar mouw. Twee jaar lang knipte ze elk bericht over bedreigde vissoorten en overbevissing uit de krant. Ze praatte met wetenschappers en documenteerde zich grondig voor dit boek. ‘Nu ga ik niet meer op zoek naar boeken, maar als ik iets lees in een krant, knip ik het wel nog uit. (lacht) Redelijk obsessief, ja.’

Waarom vissen? ‘Ik was twaalf jaar lang vegetariër – intussen eet ik alles – maar ik ben altijd vis blijven eten. Dat is toch vreemd? We hebben zo weinig empathie met vissen dat we ze zelfs niet als levende wezens zien. We gaan er gemakshalve van uit dat vissen geen gevoel hebben. Het klopt dat er in de wetenschappelijke wereld consensus bestaat over dat vissen geen gevoel hebben, maar er bestaat eveneens een complexe twijfel. Je kan enerzijds niet spreken over pijn als een wezen geen centrale neocortex heeft, dan is er geen pijnbeleving. Anderzijds gaat een regenboogforel die een inspuiting met gif in zijn lippen krijgt, over de bodem schuren met zijn mond. Wreed, hé? (lacht) Ik heb er met wetenschappers over gepraat en die hielden bij hoog en bij laag vol dat je dat niet als pijn mag interpreteren, want er is geen pijnbesef. Maar een vis die uit het water wordt gehaald, spartelt toch? Die vecht om toch om te blijven leven? Dat veronderstelt pijn.’
En waarom een boek over liefdesverdriet? Omdat Verbeke in 2008 zelf een relatiebreuk te verwerken kreeg. Voyeurs gelieve zich te onthouden, want: ‘Mijn boek is niet haatdragend of wraakzuchtig. Het stelt vast dat zulke zaken gebeuren, dat relaties eindigen zonder dat iemand er schuld aan heeft. Het boek is evenmin therapeutisch bedoeld. Sowieso bestond het basisidee – iemand vlucht weg voor haar onderdrukte verdriet – al voordat mijn relatie eindigde.’

In het vijfde hoofdstuk, in het hart van het boek, onderbreekt Verbeke het verhaal voor een samenvatting van Moniques voorbije relatie, verteld in een reeks korte alinea’s van vier, vijf regels. ‘In dat middelste hoofdstuk zitten zeker enkele elementen uit mijn eigen leven, maar zelfs daar zijn ze “gebruikt” en literair herkauwd. Ik zou nooit een dagboekfragment invoegen of zo. En bovendien is dat hoofdstuk er gekomen door een opdracht van Venus in Flames. Zij vroegen teksten voor hun cd-boekje, liefst over intimiteit. Toen heb ik al elf van die snapshots gemaakt. Dat was speciaal om te doen, omdat ik me strikt hield aan de lengte van zo’n snapshot: drie A4-regels, geen woord méér. Dat dwingt je naar de essentie, naar het poëtische. Op dat pad ben ik verdergegaan.’

Soms kan zelfs een afgezaagde vraag nog zijn werk doen. ‘Was het een moeilijk boek om te schrijven?’ vraag ik haar en onmiddellijk beaamt Verbeke: ‘Ja, verschrikkelijk. Er waren wel stroomversnellingen, waarin bepaalde delen vlotjes ontstonden, maar ik worstelde ook met writer’s blocks. In het begin wou ik Monique één van drie hoofdpersonen laten zijn, wier verhalen door elkaar verteld zouden worden. Het thema, empathie, stond wel al vast, maar ik wist nog niet hoe ik het moest aanpakken. Na dertig bladzijden heb ik alles weggegooid. Het waren drie kortverhalen die door elkaar groeiden. En ik wou geen kortverhalen, ik wou de ervaring van het schrijven van een roman. Daarbij heb ik altijd een epiphany-moment, waarop ik opeens besef wàt ik aan het schrijven ben en waarom. Uit het schrijven van een roman leer ik zelf iets.’
‘En natuurlijk was mijn eigen verdriet ook oorzaak van die writer’s blocks. Ik heb liefdesverdriet gehad zoals ik nog nooit in mijn leven verdriet heb gehad. Je kan niet goed schrijven als je extreem verliefd bent, je kan het evenmin als je je extreem slecht voelt.’

Exit emoties
Terwijl zij van congres naar congres vliegt, leert Monique enkele mensen kennen die haar leven een nieuwe wending geven. Oskar, een wetenschapper die schrijver wil zijn en die Monique een (ietwat verontrustend) manuscript toevertrouwd. Michaela, die in Monique, ten onrechte, een oude schoolvriendin ontdekt; Monique besluit zich effectief voor te doen als die vriendin. En een man wiens vierde kieuwspleet niet helemaal is dichtgegroeid. Elk op hun manier zullen ze Monique terugvoeren naar haar weggedrukte emoties.

Met excuses voor die duffe formulering, want Vissen redden is juist een bijzonder opwindende roman, waarin de schrijfster verbluft met onverwachte wendingen, snelle toonwissels en spitse formuleringen. Verbeke heeft sinds Slaap! een indrukwekkende stilistische evolutie doorgemaakt. ‘Slaap! werd geprezen omdat het heel economisch geschreven was, maar ik heb mezelf intussen toegestaan om uitvoeriger te worden. Ik ben best tevreden met de stijl van Vissen redden – momenteel vind ik dit beter dan die gebalde stijl – én het is in elk geval mijn meest beschouwende boek.’
Ten slotte is Vissen redden ook Verbekes donkerste roman, over ‘het ergste dat er bestaat’. ‘Waarom al die schoonheid op de wereld, als alles toch weer verdwijnt? Het is de basis van melancholie: dat alles kortstondig en zinloos is.’
Verbeke legt dwarsverbanden tussen evolutie en emotie: ‘Darwin benadrukte dat de evolutie nergens heen gaat. Er is geen doel, geen einde, geen perfecte toestand die we vroeg of laat bereiken. Met die doelloosheid kan Monique niet leven. Zij interpreteert alles als een teken of een noodzakelijke plotwending om bij het happy-end uit te komen. Ze moet leren inzien dat dingen gewoon gebeuren, zonder richting. Psychologen raden ons aan om onaangename gebeurtenissen “een plaats te geven”, maar dan gaan mensen heftig op zoek naar een zin, een betekenis die ze in de gebeurtenis kunnen projecteren. “Het heeft zo moeten zijn”, zegt men dan. Dat is niet zo. Het had ook totaal anders kunnen zijn; alleen gebeurde het nu toevallig zo. Neem het maar zoals het is.’
‘Ik ben er tegen om iemand die last heeft van emoties, een patiënt te noemen of zo te behandelen. Ik ben tegen die medicalisering. Antidepressiva zijn een uitloper van een neoliberale maatschappij waarin onder de vlag van zorg en bewustmaking, mensen verplicht worden om gelukkig te zijn en mee te draaien. En natuurlijk betwist niemand dat er psychische aandoeningen bestaan die uitstekend behandeld kunnen worden met antidepressiva – daar gaat het niet om. Het punt is dat sommige mensen Prozac slikken omdat ze niet meer meekunnen op hun werk, niet omdat ze zo depri zijn dat opstaan niet meer lukt. Je moet mee, je moet je conformeren. Tegenwoordig lijkt het alsof het abnormaal is te lijden. Wij schijnen allemaal te denken dat het leven per definitie gelukkig zal zijn en zorgeloos. Ik vrees dat het heel normaal is om af en toe te crashen.’
Misschien zal het in de toekomst allemaal beter gaan; misschien zal de mens zijn emoties verliezen, speculeert Verbeke. ‘Evolutionair bekeken zijn emoties “bedoeld” om ons dichter bij elkaar te brengen, om mensen te organiseren, om de maatschappij in juiste banen te leiden. Emoties hebben de evolutie van de mens voorgegeven, maar ik vraag me af of emoties niet teruggeschroefd zullen worden door de evolutie, omdat ze vandaag hét probleem van het Westen zijn. Waarom plegen in een land als België elke dag mensen zelfmoord? Zouden onze gevoelens op termijn niet afgebouwd worden, zodat ze ons niet tot zelfmoord drijven? Misschien verdwijnen ze weer, omdat ze ons nu in de weg zitten. Maar eigenlijk is dat een heel neoliberale gedachte van me: emoties remmen onze productie en leiden uitsluitend tot werkverzuim.’
Heeft ze ooit zelf pillen genomen om pijnlijke emoties te onderdrukken? ‘Ik heb vorig jaar overwogen om naar een dokter te stappen en iets te vragen dat het lijden zou verminderen. Op een gegeven moment was ik ontzettend mijn best aan het doen om me beter te voelen en het lukte maar niet. Dat werd na een paar maanden enorm storend. Maar ik heb mezelf streng toegesproken en gezegd: eerst ga je alle natuurlijke methoden uitputten. Vier keer per week sporten en niet drinken en niet roken, enzovoort. Gebruik die endorfines eerst maar eens!’

‘Voor een deel ben ik, zoals Monique, uit elkaar gevallen door mijn liefdesverdriet’, resumeert Verbeke. ‘Kierkegaard zei dat het geluk geen deur is die naar binnen opengaat; je kan er dus niet tegenaan stormen en verwachten dat ze opengaat. Uiteindelijk is er mij dit jaar wel iets overkomen: ik heb de deur naar buiten voelen opengaan.’
‘Jazeker, er is nog steeds veel vergankelijkheid. In mijn rotjaar 2008 zijn er drie zestigers uit mijn familie gestorven én mijn grote liefde liep op de klippen, maar uiteindelijk heb ik toch het gevoel gekregen dat er nog iets gewichtigers is. Inderdaad gaat alle individuele schoonheid dood, zoals Monique vaststelt, maar het begrip schoonheid overleeft, als concept. (lacht) Je kan over zulke zaken niet praten zonder religieus te klinken. Of waanzinnig.’

Artikel verscheen eerder in de Standaard der Letteren.


maandag 9 november 2009

# 162 Bloemen

Loopt Gij met ons mee?

Koen Peeters beklom zijn stamboom en daalde weer af met verhalen over zijn vader en grootvader. En God, want die was/is overal.

Gelukkig dat ik altijd aantekeningen maak bij het lezen, want het is nu een week geleden dat ik De bloemen uitlas en er is me van de nieuwe Koen Peeters niets bijgebleven. Niet dat het een vervelend boek, verre van. De bloemen leest prettig weg en hindert geen moment. Toegegeven, grote complimenten zijn dat niet.
De bloemen bestaat uit een aantal verhalen die elkaar vinden. Twee daarvan spelen zich af in het verleden: de levensverhalen van Koen Peeters’ vader en grootvader. Een derde verhaal speelt zich af in het heden en toont de auteur zelf, die grasduint in oude brieven en andere documenten. Op basis daarvan reconstrueert/fantaseert hij de levens van zijn grootvader en vader. (In een nawoord waarschuwt de auteur: ‘Niets is waar in deze roman. Hij is hooguit zeer losjes geïnspireerd op familieverhalen’.) Deze hoofdstukken in het heden hebben iets column-achtigs: nuchtere, haast journalistieke observaties, met milde humor en een likje melancholie. Een beetje Jean-Paul Mulders, die stijl. En ten slotte culmineert de roman in een apart hoofdstuk, waarin de auteur zich, op haast lyrische toon, beraadt over zijn relatie met God. Loopt God ook met hem mee, zoals Hij dat een halve eeuw geleden nog deed?
Want God was overal, in de Kempen en in de tijd waarin Peeters’ familieleden leefden. ‘Uit de brieven van mijn grootmoeder blijkt overduidelijk dat volle, onvoorwaardelijke geloof. Iedereen bidt en wordt gevraagd om te bidden. Tussen de personages verschijnt altijd opnieuw dat ene eigenzinnige personage, zijn naam is God’, schrijft Peeters. En hij vraagt zich af: ‘Hoe kan een mens zo gelovig zijn?’
De auteur maakt al die godvruchtigheid niet belachelijk. Hij geeft amper commentaar en toont: in de beste magisch-realistische traditie wandelt God “in den vleze” door het verhaal. Nu eens is hij ‘een oude, vriendelijke, tandeloze wolf’ met een ruwe vacht, dan weer een gewoon mens, die commentaar levert bij de droom van Louis Peeters (de grootvader) om de Kempen te verlaten en naar Antwerpen te verhuizen. Louis voelt de roep van de stad. Hij wil vooruit, hij wil een pakhuis in de haven en misschien wil hij ook wel de verleidingen dichterbij hebben: de verleiding van mooie vrouwen en de indolentie, hem zo vreemd, van de zazous. De Kempen, ‘waar God persoonlijk aan de kinderen het Vormsel kwam uitleggen’, kunnen hem hoe langer hoe minder bekoren. De Tweede Wereldoorlog komt echter een streep door Louis’ droom trekken; na de oorlog moet hij in loondienst gaan en dooft zijn leven uit als een kaars.
Het is in de beschrijving van WO II dat Peeters toont wat hij als schrijver waard is. Er schuift nu een reeks anekdotes aan de lezer voorbij. Geen enkele daarvan is wereldschokkend en dus houdt de auteur ze beperkt tot snelle schetsen, snapshots. Ook in de rest van de roman waakt Peeters erover dat zijn familiale geschiedenis het juiste aantal woorden krijgt en niet groter wordt gemaakt dat ze is. Personages worden snel en geloofwaardig getypeerd, broeiende conflicten of onderdrukte emoties gesuggereerd in een terloopse dialoog. De bloemen blijft een klassieke familieroman en Peeters bewandelt de gebaande paden (zoals de onvermijdelijke beschrijving van oude foto’s met in de tijd gestolde, onnatuurlijke taferelen), maar hij doet het zo vlotjes en luchtig dat het nooit begint te hinderen. Jammer dat Peeters die vertelstijl laat verslappen zodra hij van zijn grootvader naar zijn vader opschuift: in diens levensverhaal zapt hij snel voorbij de essentials, om op een dieptepunt uit zijn politieke carrière in te kunnen zoomen.

Onderweg glijdt Peeters regelmatig uit, met ondiepe wijsheden (‘We schrijven het op om het vast te houden’, tja) en nodeloze expliciteringen – voor de schoolkinderen die in hun leesverslag willen vermelden wat de titel betekent: hij wordt uitgelegd op bladzijde 197. Tegenover die missers staan echter ook enkele beeldschone passages. De dood van Peeters’ grootmoeder, bijvoorbeeld, levert een alinea op die ik hier graag integraal citeer:
Als mensen sterven, haalt God het licht uit hun ogen, en streelt hij een laatste keer over hun handen. Hij neemt daarmee het belangrijkste weg: hun handschrift. Hij strijkt hun wenkbrauwen plat en blaast de laatste lichaamsgeuren weg. Hij neemt de kleur weg van hun gezicht en handen en vervangt ze door lichtgeel. Hij ontvreemdt lievelingsschoenen, soms ook een hoed of steelt een juweel. Snel verstijft het dode lijf. Daarna tuimelt God nog even over alle radertjes van het horloge van de overledene, doet het raderwerk zeer zachtjes knarsen en legt het dan stil.

Ook de dood van grootvader levert opmerkelijke proza op, vooral als wordt uitgelegd waarom hij de Brabançonne wou laten spelen op zijn begrafenis.

Een beetje lof, een beetje kritiek... Ik weet het, dit is een lauwe recensie, maar De bloemen is dan ook een boek waar je, het grootste deel van de tijd, koud noch warm van wordt. De uitwerking van de (weinig opmerkelijke) verhaalsstof is professioneel maar passieloos, de geëxpliciteerde gedachten over vooruitgang en geloof scheren langs het oppervlakkige. Verdienstelijk, hoor, maar als u het niet leest, mist u niks.

Koen Peeters, De bloemen. Meulenhoff-Manteau, 236 blz., € 22,50
Deze recensie stond in de Standaard der Letteren van 6 november.

Naschrift, m.b.t. ‘Wij schrijven het op om het vast te houden’:
Zie Sprakeloos, de nieuwe roman van Tom Lanoye, blz. 63-64:
Er woekert een hardnekkig misverstand, bij kenners en bij leken, dat schrijven “bewaren” betekent. Vastleggen wat bestaan heeft, zoals het bestond. Het is natuurlijk andersom. Schrijven is vernielen, bij gebrek aan beter. Waar je over schrijft gaat pas dan en juist daardoor voorbij. Literatuur is loslaten. Schrijven is verdrijven.

Dat is ten minste een mening die er staat, in tegenstelling tot het zinnetje van Koen Peeters, dat zich netjes neerlegt bij wat duizenden anderen al hebben beweerd.


vrijdag 6 november 2009

# 161 Saski-B

‘99% van de mensen is volgzaam van nature’

Schrijfster Saskia de Coster heeft een nieuwe roman uit. Onder het motto van haar titel, Dit is van mij, eigende ZiZo zich enkele van haar meningen toe. Over kinderwens, grenzen stellen, relatiebreuk en het verlangen naar een veranda in Mongolië. - Dit artikel verscheen in het novembernummer van Zizo.


Die zelfverzekerde titel Dit is van mij roept meteen de vraag op: hoe stevig staat de schrijfster eigenlijk zelf in haar schoenen?
‘Grenzen stellen is iets waar ook ik soms wel moeite mee heb. Kijk, ik schrijf geen autobiografische boeken, maar de onderwerpen waarover ik schrijf, boeien me wel mateloos of liggen me na aan het hart. In Dit is van mij heb ik me afgevraagd hoe ver je kan gaan in over je heen laten lopen, binnen een relatie, voordat het echt ziekelijk wordt. Het heeft ook te maken met mijn fascinatie voor de middeleeuwse mystici. Vandaag zouden wij hen krankzinnig noemen, met hun vrijwillige uithongering en hun overtuiging dat ze niemand waren, slechts doorgeefluiken. Maar toentertijd werd er gedacht dat zij het dichtste bij God kwamen, precies omdat ze zichzelf volledig wegcijferden, leeg maakten. Ze gingen ver over de rand van een normale “geef-en-neem-relatie”.’
De Coster schrijft geen autobiografisch proza en ze is evenmin happig om de autobiografische invloeden netjes aan te wijzen. De literatuur is, zegt ze, ‘een soort darkroom, waarin een afstandelijke communicatie ontstaat tussen mensen die elkaar niet kennen.’

De bloemkool en Gaydar
Blijf weg uit de afdeling ‘Zelfhulpboeken’, verdwaald wezen! Voor iedereen die over zich heen heeft laten lopen, voor allen die na een relatiebreuk hun identiteit weer proberen op te bouwen, is er nu Dit is van mij.
De bijna-ziekelijke relatie waarvan eerder sprake, is die van Jakob Gilles en Jade Weinberger. Jakob heeft net besloten dat hij Jade uit zijn leven wil schrappen, als zij hem opzadelt met een kind. Niet haar kind, maar een jongetje uit Roemenië dat ze heeft uitgenodigd voor een vakantie in België – en nu hij er is, staat haar agenda te vol. Oplossing: Jakob.
De lezer kan intussen maar beter op zijn/haar qui-vive zijn, want Jakob is het typevoorbeeld van een onbetrouwbare verteller. De lezer voelt dat er zaken niet kloppen in zijn relaas. Probeert hij Jade (tevergeefs) te dumpen, of is hij haar stalker?
‘Ja, Jakob is onbetrouwbaar, of gewoon heel blind’, nuanceert De Coster. ‘Hij wil veel zaken niet onder ogen zien. Het is zoals zoeken op Gaydar: je let alleen op de kenmerken die jou interesseren. Als je geobsedeerd bent door bloemkool, loop je aan al de rest voorbij. Die rest is dan ruis, maar wat ruis precies is, dat bepaalt iedereen voor zichzelf.’
Voor wie al eens eerder een boek van De Coster las: Dit is van mij laat een ander geluid horen. ‘Ik heb weinig met mensen die altijd zwart dragen. Bij dit boek was het nodig om wit te dragen’, zegt ze daarover. Dat betekent dat deze roman zelfs aardig op een literaire thriller lijkt, met zijn onbetrouwbare verteller, de verdwijning van Jade (later in het verhaal) en op de achtergrond meerdere ontvoeringen met een zweempje Dutroux. Is dit een literaire thriller?
Dit is van mij bevat zeker thrillerelementen en de psychologie van Jakob is ook erg belangrijk, maar daarom zou ik het nog geen literaire of psychologische thriller noemen. Misschien zit het thrillereffect ook in de opbouw naar de botsing op het einde. Jakob kan pas “Dit is van mij” zeggen nadat hij keihard gebotst heeft. Hij moet zijn ervaringen onder ogen zien, want die hebben hem gebracht naar wat hij nu is. Het einde van een relatie is het moment waarop je langzamerhand tot nieuwe inzichten moet komen, vooral over je eigen rol. Die inzichten stelt Jakob uit. Je zou kunnen zeggen dat hij voor zichzelf een cocon van leugens geweven heeft en die cocon kan hij alleen nog met geweld ontsnappen.’
Wat boeit haar aan de zwakte van Jakob?
‘We weten allemaal dat we sterk moeten zijn. Je moet weten hoe je dit aanpakt en hoe je dat het hoofd biedt. Vrouwenbladen zijn het toppunt van die mentaliteit: iedere bladzijde vol raadgevingen maakt een mens sterker. Ik denk dat mijn generatie goed beseft dat het positief is dat we al die keuzes kunnen maken – maar welke? Er waren vroeger helderder regels. Je kon ze volgen of er tegen rebelleren. Vandaag zijn de regels impliciet en misschien daardoor sterker. Mensen die op tv willen komen, aanvaarden zonder nadenken dat ze zich moeten houden aan de regels van een format. In de media heb je een beperkt aantal formats en daar moet je je onderwerp in zien te passen. Het is niet evident om daar uit te breken, omdat de indruk wordt gewekt dat het format de waarheid is. De marge bestaat haast niet meer.’
‘Negenennegentig procent van de mensen is volgzaam van nature. Nochtans worden we voortdurend gevraagd om een standpunt te bepalen, vooral over zaken waar we niets van af weten. “Ben je van mening dat Natalia goed gezongen heeft in het Sportpaleis?” Dat kan toch niet zomaar iedereen beoordelen? Denk ook aan de hysterie rond de Oosterweelverbinding. Uiteindelijk is dat een arbitraire keuze, hoor. Je kiest voor of tegen en vervolgens hou je daaraan vast.’
Is dat geen moeilijk vol te houden mening, als je vriendin voor een politieke partij (nl. Groen!) werkt?
‘Ik denk niet dat politici elke dag grote, ideologische keuzes moeten maken. Ten eerste is zo’n politieke keuze vaak het resultaat van een lang zoekproces binnen een partij. Ten tweede bestaat het gevaar dat politici alleen maar kijken naar wat de kiezer wil. Dat zie je trouwens ook elders in het publieke domein; de media hebben de neiging te raden wat de lezer wil. Vervolgens maak je je boodschap. Onvermijdelijk ben je dan verkeerd bezig, want je boodschap is achterhaald op het moment dat je ‘m maakt.’

Een veranda in Mongolië
Thrillercapaciteiten of niet, als Dit is van mij meesleept, dan is dat omdat het herkenbare situaties bevat. Vooral voor dertigers die zich afvragen of ze wel de juiste keuzes hebben gemaakt. Dan kan het nuttig zijn om kennis te maken met Jakob, die nog helemaal geen keuzes maakte.
‘Jakob ziet in zijn vriendenkring veel mensen met jonge kinderen en hij is zich er van bewust dat hij daar buiten valt. Hij heeft nog niet eens een volwaardige relatie, hij staat eigenlijk nergens. Goed, Jade zadelt hem opeens met een kind op. Dat is ongelooflijk bot, maar het biedt hem wel de kans om weer met iemand een affectieve band op te bouwen. Het kind is een neutrale zone, zonder banden met Jakobs verleden, om in te oefenen, want na verloop van tijd moet het toch terug naar Roemenië.’
Voelt De Coster zelf ook die druk om te settelen?
‘Ja, ik voel dat zeker, al heb ik er totaal geen last van. De meeste mensen hebben intussen wel een auto, een veranda en kinderen. Ik niet. Sterker nog, ik ben zelfs al te oud om het ooit nog goed te laten komen. (lacht) Ik had al lang kinderen moeten hebben. En nog snel voor hun geboorte een wereldreis maken. Daarna lid worden van een wijnclub. Ik lig er niet wakker van. Het zijn ook maar restanten van tradities: lief vinden, settelen, op je 45ste een scheve schaats rijden, een nieuw leven beginnen of net niet. Misschien wil ik ooit wel eens een veranda, maar dan in Mongolië.’
‘De fysieke behoefte aan een kind ken ik helemaal niet. Ik heb dat altijd een grappige dwang gevonden. Zo’n kind is toch per definitie een projectie van jezelf? Let wel, dat mag je niet zeggen. Kinderen krijgen is een altruïstische daad, daar mogen we niet aan twijfelen. Ik heb wel eens de indruk dat hetero’s ons verwijten dat we dikke egoïsten zijn. Hedonistisch en zelfzuchtig erop los leven, dat verhaal. Alsof kinderen altijd zo’n weldaad voor de wereld zijn. De wereldbevolking is nu al te groot.’
‘Het zou trouwens ook meer besproken mogen worden onder holebi’s. We moeten toch niet allemaal hetzelfde zijn? Het is niet omdat we nu kunnen trouwen dat we automatisch ook kinderen moeten hebben. Van gelijke rechten zijn we doorgeslagen naar gelijk-zijn. Ik denk dat veel mensen het verlangen naar het heteroleventje helemaal niet kennen.’