
Bernard Quiriny, ten slotte, is de jongste in het rijtje Franstalige Belgen: hij werd geboren in 1978. Vertaalster Hilde Keteleer typeert hem in het nawoord als een liefhebber van het labyrint, de omkering, het misverstand, ‘de waarheid weerkaatsende doolhofwereld’.
Verbeelding heeft die Quirini zeker, zoals al blijkt uit het eerste verhaal, over een onwezenlijk mooie jonge vrouw, die (bij nadere beschouwing, tussen de lakens) overdekt blijkt met een huid van sinaasappelschil. Het pantser laat zich weghalen, strookje na strookje. ‘Ik pelde haar van top tot teen’. De erotiek van het verhaal neemt een lichtjes stuitende wending – om in de laatste regels weer in de plooi te vallen. Een kunststukje.
Quirini lijkt qua erotische verbeelding wel wat op onze Peter Verhelst, maar stilistisch zijn de twee niet verwant. Overigens is de bundel Contes carnivores dikker dan deze Vleesetende verhalen (100 blz., € 9). In het Spaans blijkt wèl de volledige bundel vertaald te zijn. Ik taal er niet naar om daar wéér de conclusie uit te trekken dat Vlaanderen te weinig af weet van de Franstalige landgenoten (omdat ik maar al te goed begrijp waarom we hen de rug hebben toegekeerd), maar het blijft toch frappant.
De voorbije dagen besprak ik dagelijks kort een deel uit de Belgica-reeks. Deze blogposts waren gebaseerd op teksten die ik schreef voor De Standaard en Staalkaart.
Morgen het eerste deel van een nieuw reeksje: Spelelementen.

0 reacties:
Een reactie plaatsen