Met haar twintigste roman en een omnibus met ouder werk in de boekhandel, lijkt Amélie Nothomb alive and kicking. Niettemin is ze in de kritiek een beetje weggedeemsterd. Terugblik op een opmerkelijk oeuvre.

Eind augustus verscheen Tuer le père en daarmee zal Amélie Nothomb op twintig jaar tijd twintig romans gepubliceerd hebben. Dat is nog altijd minder dan Herman Brusselmans of Georges Simenon, maar het blijft wel een kloeke productie.
Wie minstens elk jaar een roman publiceert, is ofwel geniaal ofwel te snel klaar. Bij Nothomb is het soms wel eens dat laatste. Het wisselvallige van haar oeuvre heeft haar krediet gekost. Uiteindelijk ging het, in teksten over Nothomb, alleen nog maar over haar publieke verschijning: die zotte hoed, de onsmakelijke eetgewoonten, het feit dat ze familie is van politicus Charles-Ferdinand Nothomb...
Niettemin heeft Nothomb onmiskenbaar veel talent. Wie dat wenst, kan een representatief staal van dat talent tot zich nemen middels Japanse romans, een omnibus met drie van haar beste boeken. Gods ingewanden beschrijft (en romantiseert) Nothombs peuterjaren in Japan: van haar geboorte tot aan haar ‘eerste en tot op heden enige zelfmoordpoging’ – op driejarige leeftijd, maar liefst! Met angst en beven is met voorsprong Nothombs bekendste boek, over haar pijnlijke ervaringen in het Japanse bedrijfsleven. De verloofde van Salo ten slotte beschrijft een Japanse liefdesgeschiedenis, in dezelfde periode als Met angst en beven. Vooral die eerste twee romans geven inzicht in waar het bij deze schrijfster om gaat.
Gods ingewanden (Métaphysique des tubes, 2000) begint met een bevreemdende evocatie van een God in een leeg universum. Nothomb noemt hem ‘de afvoerbuis’ en ‘een soort filter’, omdat God niets meer is dan zijn vegetatieve functies. Stapje voor stapje onthult ze wat hier eigenlijk verteld wordt. De vrij abstracte reflecties over God veranderen in een anekdote over een baby die God is, en die met zijn ouders, broer en zus in Osaka woont. Het jaar is 1970. De God/baby groeit wel, maar hij beweegt niet. Hij ademt, eet en kakt. Hij gaat niet overeind zitten, kruipt niet.

“Gods” onbeweeglijkheid, die de ouders tot wanhoop drijft, zal de lezers van Nothomb bekend voorkomen. Al in haar vroegste romans maken we kennis met onbeweeglijke personages. In haar debuut Hygiëne van de moordenaar (Hygiène de l’assasin, 1992), is dat de moddervette, misantrope schrijver Prétextat Tach. Hij is al jaren geleden gestopt met schrijven en leeft van wat zijn veelgeprezen en met de Nobelprijs bekroonde oeuvre hem oplevert. Intussen eet hij. Walgelijk voedsel, in walgelijk grote porties. Hij beweegt amper van zijn plaats, hij adem, eet en kakt.
Van hetzelfde laken een pak in Nothombs derde roman, Filippica’s (Les Catilinaires, 1995). Een echtpaar, zopas gepensioneerd en verhuisd naar een droomhuis, wordt ruw uit hun paradijselijke staat geschud door een opdringerige buurman. De enorme Pallamède Bernardin staat elke dag om exact vier uur voor de deur. Hij verschaft zich toegang tot hun woning, gaat in een zetel zitten en beweegt noch praat, totdat hij om zes uur het huis verlaat. Het echtpaar ziet zich gedwongen om twee uur lang beleefd te keuvelen met iemand die geen woord terugzegt. Op het produceren van uitwerpsels na: u ziet de gelijkenis. (Later in de roman treedt ook nog Bernardins echtgenote op de voorgrond. Zij is zo dik dat ze zich amper kan bewegen en wordt omschreven als ‘de cyste’.)
Tach en de Bernardins zijn duidelijk aberraties. Hun stilstand is onnatuurlijk. In Gods ingewanden schrijft Nothomb: ‘‘stilstand is achteruitgang. Na de groei treedt het verval in: tussen die twee is er niets.’ Maar in precies dezelfde roman verwoordt ze ook haar jaloezie op het stille, plantaardige leven. Op een bepaald moment wordt de God-baby namelijk wakker, doordat er zich een gedachte in hem gevormd heeft. Nothomb noteert: ‘Algauw zal hij terugverlangen naar zijn plantenleven, al durft hij dat voor zichzelf niet toe te geven.’
Op dit punt in de roman kantelt de “hij” overigens in een “ik” en blijkt God een meisje. Naam: Amélie. De doodstille meisjesbaby is voor onze ogen veranderd in een woedend wezentje, dat zich almachtig waant, maar elk ogenblik tegen zijn/haar menselijke beperkingen botst. ‘God gedroeg zich net als Lodewijk XIV’. ‘Hij wil graag kwaad doen, maar kan niet.’ De oplossing voor de woede van kleine Amélie komt later in de vorm van een Belgische grootmoeder, die het monstertje temt met... witte chocolade. Maar wat veroorzaakte eigenlijk de overgang van niets naar woede?
Nothombs overvloedige dialogen hebben soms iets van labyrinten waarin de sprekers opzettelijk tussenwandjes verzetten om het elkaar lastig te maken. Zodra ze echter als vertelster optreedt, krijgt Nothombs proza een bewonderenswaardige helderheid. Het openingshoofdstuk van Gods ingewanden schuiert langs het filosofische, zonder ook maar één moment minder dan glashelder te zijn. Ter illustratie, de passage die de overgang van niets naar woede verklaart:
En toch is er niets beslissenders voor de ontwikkeling van de mens dan onvoorziene gebeurtenissen van psychische aard. Zo’n onvoorziene gebeurtenis is een stofdeeltje dat bij toeval de oester van de geest binnendringt, ook al wordt die beschermd door de gesloten schelp die de hersenpan is. Plots wordt de weke massa in de schedel ontregeld, opgeschrikt, bedreigd door dat Fremdkörper dat zich een weg naar binnen heeft gebaand; de oester, die tot dan toe ongestoord vegeteerde, slaat alarm en gaat in de tegenaanval. Hij produceert parelmoer, een wonderlijke substantie, sluit de indringer in en neemt hem in zich op, zodat een parel ontstaat.’Zo’n psychische kortsluiting kan ook door de geest zelf worden veroorzaakt: dat zijn de raadselachtigste en ernstigste gevallen. Een hersenwinding brengt zomaar, zonder reden, een vreselijke gedachte, een beangstigend denkbeeld voort – en op slag is het definitief uit met de gemoedsrust. Het virus komt in actie en is niet meer te stuiten. Op dat ogenblik ontwaakt een mens tegen wil en dank uit zijn lethargie. Voor het vreselijke, niet in woorden uit te drukken probleem dat hem kwelt, zoekt en vindt hij tal van inadequate oplossingen.

Een perfect voorbeeld van zo’n ‘inadequate oplossing’ vinden we in Hygiëne van de moordenaar. Het drama van Prétextat Tach is namelijk dat hij in zijn jeugd een soort pact heeft afgesloten met zijn nicht Léopoldine. Geschokt door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zweren zij het stadium van kind-zijn nooit te verlaten. Om dat voor elkaar te krijgen onderwerpen ze zich aan een strikt dieet, om te voorkomen dat één van hen de puberteit bereikt. (Nothomb gaat over dit dieet en de Spartaanse levenswijze die erbij hoort, niet in de detail. Er is hier een zekere suspension of disbelief nodig.) Het plan slaagt: op hun achttiende ziet het tweetal er uit als ‘twee reuzen van twaalf’. Maar dan wint het natuur het tóch nog...
Nothombs onderwerp is, laten we zeggen, de absurde kwelling: de geest die ‘een vreselijke gedachte’ creëert en daarmee zichzelf aantast, als een auto-immuunziekte. Ook: de mens die zijn medemens zonder duidelijke reden de duivel aandoet. Taal is op het slagveld geen diplomaat, maar een wapen. Met betrekking tot de “gesprekken” tussen haar broertje en zusje stelt de kleine Amélie vast: ‘Praten was een aanloop tot vijandelijkheden.’ Net zo misbruikt de fictieve schrijver Prétextat Tach de interviews die van hem worden afgenomen, als een manier om journalisten te vernederen.
Waar die fascinatie voor de absurde kwelling vandaan komt, ontdekken we in de (verfilmde, bekroonde, autobiografische, bestsellende) roman Met angst en beven (Stupeur et tremblements, 1999). Plaats van handeling is hier de Japanse firma Yumimoto. Dat is een verzonnen naam, vertelt Nothomb na enkele bladzijden, tussen neus en lippen. Ook de rest van het bedrijf is verrukkelijk non-descript. Er is sprake van import-export. De producten zijn velerlei. De bedrijfsomzet is onvatbaar: ‘Naarmate de nullen zich aaneenregen, verlieten de bedragen de wereld van de getallen voor die van de abstracte kunst.’
Het dagelijkse leven verandert er al gauw in een wreed absurdistisch toneelstuk. Na een maand al krijgt de jonge Nothomb, aangeworven om haar talenkennis, het verbod om nog Japans te spreken of de indruk te wekken dat ze de taal beheerst. Haar taak is eerst onvatbaar, daarna steeds onnozeler. Eigen initiatief wordt afgestraft, tegenspreken is heiligschennis. Haar chef, die zij eerst als een vriendin beschouwt, ontpopt zich tot een privé-kwelgeest, die Nothomb ten slotte degradeert tot toiletjuffrouw.
Als dit alles uitermate boeiende lectuur oplevert, is dat door de consequent naïeve toon die Nothomb hanteert. Ze klaagt niet, maar verbaast zich. En zelfs wanhoop krijgt een poëtische laklaagje: ‘Ik fantaseerde (...) dat ik ‘me in het panorama stortte’... (...) Ik drukte mijn neus tegen het glas en stelde me voor dat ik uit het raam sprong. De stad lag ontzettend ver beneden me: voor ik te pletter sloeg, kon ik mijn ogen de kost geven.’
Bovendien kan de lezer bij dit huiveringwekkende verslag zijn twijfel niet onderdrukken: is Amélie wel echt een slachtoffer? Af en toe slaat ze een blunder die ook in een westers bedrijf afgestraft zou worden. En de cultuurkloof heeft, logischerwijs, twee kanten. Is zij niet haar eigen ergste vijand? Wie kwelt hier eigenlijk wie? Mensen die elkaar de voet dwars zetten, is niet zo ongewoon. Maar de kwelling die in feite door het slachtoffer zelf wordt veroorzaakt: dat is de perfecte absurditeit.
Japanse romans. De Bezige Bij Antwerpen, 384 p., paperback, € 18,50.
Vadermoord. De Bezige Bij Antwerpen, 164 p., gebonden, € 19,95.
Deze tekst verscheen in Staalkaart.

0 reacties:
Een reactie plaatsen