vrijdag 16 december 2011

# 328 "Alleen woorden die hun jas uittrekken"

In het romandebuut van Harry Vaandrager, Aan barrels, aarzelen vier gedetineerden tussen ontsnappen of blijven. Een afwijkende roman.


Sommige boeken hebben goud op snee. Dat staat chic. Deze roman echter heeft zwart op snee. En ook alle overige randen zijn zwart. De uitgever noemt dat een ‘rouwrandje’. Maar om wie rouwen we dan, vraag je je af, de eerste bladzijden lezend.
Harry Vaandrager dumpt zijn lezer in een morsige onderwereld: een cel met vier gevangenen. De eerste twee die aan het woord komen zijn een vrouwenhandelaar en een spierbundel met enkele verkrachtingen op zijn kerfstok, waaronder ook van minderjarigen. Ze komen aan het woord in monologen die van elke schoonschrijverij gespeend zijn. Dit is de wereld van de Echte Vent: misogynie, homofobie, scatologie. De gedetineerden nemen allemaal hetzelfde risico. In de woorden van Victor:
Dom dom dom om in de bajes over jezelf na te denken. Te onnozel. Ronddwalen in je eigen kop is leuk voor thuis. Met een keilebakkie binnen handbereik, kan het geen kwaad. Maar in de bajes, dan zal het je bezuren. Dan krijg je de demonen op de koffie.

De monologen van Marc en Tom ontsporen inderdaad, in grootheidswanen en fantasmagoria. Waar gaat dit heen? En waarom die rouwrand? En wat was het doel van de proloog, een halve bladzijde gevuld met het woordje “nee”?

Aan barrels is het romandebuut van Harry Vaandrager. Eerder publiceerde hij twee dichtbundels: één in 1978, één in 2010. Dit boek verscheen bij Het Balanseer, een uitgever die zich toelegt op boeken ‘die de Nederlandse taal verfrissen, ontwrichten of uitpuren’. Taalexperiment, kortom. Toch moest ik bij Vaandragers oversekste bargoens denken aan Het grote baggerboek van Ilja Leonard Pfeijffer (De Arbeiderspers, 2004, nog steeds verkrijgbaar, vraag ernaar bij uw boekhandelaar). In deze hilarische roman liet Pfeijffer zijn hoofdpersonage zich als volgt uitdrukken: ‘Maar dat waren verdullemikkie wel dagen bij de Koninklijke, krijg nou tieten. We liepen daar de godganse etgemalen met onze pikkemansen uit de broek te steigeren en deze jongen toevallig nog wel een beetje krapper als het zooitje als je begrijp wat ik bedoelt.’ (Sic. De tekstverwerker trekt velerlei rode en groene lijntjes in dit citaat.) Let wel: bij Pfeijffer was het taalspel, een stijloefening. Vermoedelijk dient het bij Vaandrager een ernstiger doel: een moedwillig bruut, rauw beeld van de realiteit ophangen. Een realiteit met vuil onder de nagels. Dat heet ook ‘rouwrand’.

Maar waar verdullemikkie gaat dit boek nu over? In de cel zitten de vrouwenhandelaar Marc, de verkrachter Tom, moordenaar Peter en Victor, een dealer. Zij komen alle vier aan het woord. Dan zijn er nog vier monologen van buitenstaanders: Marcs moeder, zijn vriendin Claire, Victors vriendin Maria en Irene. Die laatste is Peters vriendin; zij bereidt de uitbraak van haar vriend en zijn maten voor. Hoe ze dat doet? Ze heeft een vuurwapen uit elkaar gehaald en smokkelt de onderdelen de gevangenis in, verborgen in haar... laat ik zeggen, “vrouwelijkheid”.
Ik vergat nog één monoloog. De laatste. Die wordt uitgesproken door Andreas, de doodgeboren baby van Marc en Claire. En daarmee komen we bij de essentie van Vaandragers roman.
Met al die opgesloten personages is er natuurlijk iets aan de hand met opsluiting en vrijheid. Marcs moeder vergelijkt het bejaardentehuis met een gevangenis. Irene doet er dan wel alles aan om Peter te laten ontsnappen, ze wil vooral haar eigen leven leiden. Vrij zijn.
Dat is de vraag die ten slotte in neonletters oplicht: wil je wel vrij zijn? Victor probeert zichzelf er van te overtuigen dat hij uit de gevangenis wil ontsnappen: ‘Morgen ontsnap ik. Alleen. In een mum, let maar op. Als kakke zonder douwe.’ Uit zijn monoloog blijkt echter dat hij twijfelt over zijn verlangen naar vrijheid. De wereld die Vaandrager schetst in deze monologen is inktzwart, ruw, primitief: dan kan je inderdaad maar beter in een cel zitten. De buitenwereld is nog erger.
Dat is ook wat Andreas besloten heeft. Claires foetus “vertelt” in de slotmonoloog dat hij het vertikt om geboren te worden. Blijkbaar was híj degene die in de proloog de “nee’s” aan elkaar reeg.

Het jammerlijke aan schrijvers die zichzelf experimenteel wanen, is dat ze altijd een meta-laagje voorzien: gefilosofeer over de onbetrouwbaarheid van taal en de fictionaliteit van de werkelijkheid. In Aan barrels lopen dus personages rond die plompverloren aankondigen: ‘Ik ben een verhaal. Een kort verhaal. Wanneer je daarin gaat schrappen, blijf je gauw met een leeg vel achter.’ (Is dat zo? Wat een onzin.) Op aandringen van Peter zijn de gevangenen bovendien begonnen aan het strippen van het woordenboek: ‘misschien moeten we die droogdoos “taal” nog eens volspuiten met nieuw zaad’. 'Alleen woorden die hun jas uittrekken en in een nachtkroeg op de vuist gaan.’ Alle woorden die hen niet aanstaan, gaan er uit. En de geschrapte woorden worden opgesomd in de tekst zelf. Gevolg: hele alinea’s zinloze, alfabetische woordenreeksen.
In deze alinea’s is Aan barrels duidelijk familie van Lucas Somath, het grote baggerboek van Thomas Claus. Een fragment uit de monoloog van Tom:
Ga weg. Ik ook. Help moeder, ze komen met een dwangbuis. Flikkers zijn het. Nee nee nee. Neeeeee. Schiet op. Schieten. Schiet nou toch. Schiet. Lekker. We moeten hard... Nu.

Move over, Jeroen Brouwers: deze stad is niet groot genoeg voor twee meesterstilisten.

Al dit gedoe over taal en verhalen, dit zogenaamde ‘ontwrichten’ van de taal, wordt gaandeweg ontmaskerd als een vlucht uit de realiteit. Ook al verwijt Marc de woorden dat ze de realiteit niet benaderen (want je kan ze niet neuken, klaagt hij), zijn moeder weet beter. ‘Verzinsels zijn altijd rijker. Daarom is het eigenlijke leven zo pover en teleurstellend.’ En daarom blijven deze personages dus lekker opgesloten: in een cel, in woorden, in de baarmoeder. Zolang het maar vér van de realiteit is. Als die realiteit een doodgeboren kind is, valt dat nog te begrijpen...

Experimenteel? Je zal straks nog zien dat het allemaal autobiografisch is.


Harry Vaandrager, Aan barrels. ’n Braakbal.
Het balanseer/Nijgh & Van Ditmar, 179 bladzijden, € 19,95
In de Standaard der Letteren van vandaag staat een andere, licht ingekorte versie van deze recensie.

0 reacties: