maandag 19 december 2011

# 329 De hoogdagen van de mannekesbladen

Stripjournalist Toon Horsten verzamelde zijn interviews omtrent het weekblad Kuifje in het boek Kinderen van Kuifje: een fragmentarische geschiedenis van een fascinerend tijdperk.

In december 2006 had het tijdschrift Stripgids een primeur van formaat. Hoofdredacteur Toon Horsten publiceerde toen zijn gesprek met Raymond Leblanc, een klinkende naam van de franco-Belgische stripscène. Zijn eerste interview met een Nederlandstalig journalist ever, zei Leblanc, en meteen ook het laatste dat hij zou geven. Het eerste lijkt onwaarschijnlijk, het tweede bleek te kloppen: Leblanc overleed in maart 2008.
Leblanc was zelf geen stripmaker, maar wel de drijvende kracht achter een tijdschrift dat de naam van tientallen striptekenaars maakte: Kuifje/Tintin. Hij was de zakenman die alles mogelijk maakte. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Leblanc actief geweest in het verzet, waardoor hij achteraf makkelijker aan papier kon komen. Hij dacht dat er ruimte op de markt was voor een jongerenmagazine. Als uithangbord koos hij voor een alombekend figuurtje: Kuifje. Het was dankzij hem dat Hergé weer aan het werk kon gaan, want die was “aangebrand” door zijn collaboratie. Na WO II ‘was het Hergé zelfs niet toegestaan om met de fiets te rijden.’

Na het interview met Leblanc groef Horsten verder in de geschiedenis van Kuifje/Tintin. Guy Dessicy, de directeur van Leblancs reclameregie Publiart, voorzag hem van meer anekdotes over de sfeer in die hoogdagen van de strip. De zonen van Bob De Moor, de voornaamste medewerker van Hergé, vertelden hem over hun vader. Daarna ging Horsten ook nog aankloppen bij Philippe Godin, de biograaf van Hergé, bij Rik Ringers-tekenaar Tibet en Michel Vaillant-tekenaar Jean Graton. Al die interviews staan in Kinderen van Kuifje.
Daarmee waren de ooggetuigen blijkbaar op, want de rest van het boek bevat gesprekken met mensen die slechts vanuit de verte betrokken waren bij Kuifje of die op een andere manier een band hebben met het oeuvre van Hergé: de nu alweer vergeten Vlaamse striptekenaar GoT, de Zwitser Cosey, Nederlanders Ever Meulen en Joost Swarte, de Amerikaan Charles Burns en ten slotte de Fransman met Noord-Afrikaanse, Oost-Europese en Joodse wortels Joan Sfarr.

Je zou kunnen klagen dat Kinderen van Kuifje geleidelijk aan spankracht verliest, maar dat klopt niet helemaal. Het boek is eerder als een olievlek. Die vlek ontstaat in de jaren ’40 te Brussel, bij Leblanc. Vlaanderen komt erbij, o.m. door Ons Volkske, een soort Kuifje-light voor de minder kapitaalkrachtige lezers. Frankrijk komt in beeld door het conflict tussen Hergé enerzijds en Albert Uderzo en René Goscinny anderzijds: het moment waarop Asterix verloren ging voor Leblancs uitgeverij. En met Cosey, Burns en Sfarr worden nog meer landsgrenzen overschreden. Wat in Brussel aan het trillen werd gebracht, veroorzaakte naschokken in het werk van mensen met heel andere achtergronden. Het boek reflecteert die schokgolf.

Alle hier gepresenteerde interviews zijn lezenswaardig voor mensen die geïnteresseerd zijn in, laten we zeggen, de coulissen van de strips waarmee we zijn opgegroeid. De figuur van Leblanc staat lange tijd centraal, omdat in zowat elk interview wel aan hem gerefereerd wordt. En iedereen heeft natuurlijk zijn eigen waarheid in pacht.
Wat vast lijkt te staan, is dat Leblanc een geslepen zakenman was. Hij wist uitstekend wat zijn mogelijkheden waren en rustte niet gauw op zijn lauweren. Kuifje/Tintin was onmiddellijk een succes. In het begin werd het blad volgetekend door welgeteld vier mensen: Hergé zelf, Edgar Pierre Jacobs, Paul Cuvelier en Jacques Laudy. Naarmate het blad dikker werd, kwam er ruimte voor meer stripmakers. Daarbij ontstond er al gauw spanning tussen Hergé en Leblanc – de artistieke en de zakelijke leider. Hergé wenste zijn stempel te drukken: zijn collega-tekenaars mochten geen te “populair” werk afleveren. Tibet kreeg harde kritiek. De reeks Suske en Wiske mocht pas in het blad nadat Willy Vandersteen zijn universum “Kuifje-fähig” had gemaakt.
Daarmee is niet gezegd dat Hergé hun werk slecht vond. Tibet rekende hij vooral jeugdzonden aan, die de tekenaar (in zijn gesprek met Horsten) ook erkent. Vandersteen vond Hergé dan weer ‘de Breughel van de strip’ – alleen rijmde die Breughel niet met zijn eigen palet.
Als Horsten aan Guy Dessicy vraagt waarin de smaak van Leblanc verschilde van die van Hergé, krijgt hij dit antwoord: ‘Leblanc hield van alles wat goed verkocht. (lacht)’. Geen wonder dat Leblanc stond te popelen om Suske en Wiske te publiceren, een titel die ook in Franstalige België bekendheid genoot. Jaren later zou Bob De Moor de kans krijgen om het eerste verhaal van Cori de Scheepsjongen te tekenen. Dat wordt vandaag beschouwd als zijn beste werk, maar het ontstaan was louter een kwestie van pragmatisme: er zou een Nederlandse versie van Kuifje verschijnen en Leblanc wou een strip op maat van de Nederlandse lezertjes! Vandaar: een verhaal over de Vereenigde Oostindische Compagnie.
De tekenaars konden niet meteen meegenieten van het succes. Er worden anekdotes over Leblancs financiële beleid verteld, maar je voelt dat die met de jaren verzacht zijn: over de doden niets dan goeds.
'Toen ik een paar verhalen getekend had voor Kuifje werd ik bij Leblanc geroepen’, vertelt Jean Graton. ‘...als je exclusief bij ons tekent, zorg ik ervoor dat je binnen vijf jaar in een Ferrari rijdt. Hij heeft woord gehouden. Vijf jaar later reed ik in een Ferrari. Ik mocht de zijne eens lenen. (schatert)’


Kinderen van Kuifje is een echte goudmijn, zolang Horsten zich beperkt tot de centrale figuren. Leblancs schildering van de relaties tussen alle groten van de Belgische strip is meesterlijk. Guy Dessicy vertelt over het ontstaan van het verwende rotjoch Abdallah uit Kuifje en het zwarte goud. Jean Graton leert ons dat de vrouwen in Kuifje in het oog werden gehouden door de superior van het Kardinaal Merciercollege te Eigenbrakel, die deel uitmaakte van de raad van bestuur van uitgeverij Le Lombard: ‘Via de directie werd ons opgelegd dat we brave vrouwen moesten tekenen, zonder korte rokken en niet te sexy. Kinderen zouden het kunnen lezen!’ (Het is jammer dat Horsten niet op bezoek is gegaan bij Renaud Denauw, die in de jaren ’80 voor Kuifje de sexy actieserie Pokervrouw zou tekenen. Of bij Michel Weyland, die met de kortgerokte amazone Aria de puberteit van menig Kuifje-lezer verhit heeft.)

Leblanc zelf doorprikt andermaal de mythe van Hergé’s depressies: ‘Tegenover de buitenwacht en tegenover de medewerkers van het blad schreven wij de afwezigheid van Hergé steevast toe aan de depressies, een gevolg van de oorlog en de repressie. Nu weet iedereen dat Hergé toen de gelegenheid te baat nam om avontuurtjes te beleven; hij reed in die tijd wel eens een scheve schaats.’

In essentie is Kinderen van Kuifje een boek voor nostalgici. En dat zegt veel over de huidige stripscène. De stripverkoop in België loopt terug, in Nederland sloten veel stripspeciaalzaken de deuren. Men zoekt vooral een nieuw publiek voor de graphic novel. Recent berichtte Toon Horsten in De Standaard over de terugloop in de verkoop van een monument als Suske en Wiske – een artikel dat zo’n pijnlijk beeld ophing van de toestand, dat Standaard Uitgeverij zich gedwongen zag een sussend persbericht uit te sturen.
De stripspeciaalzaak, intussen, lijkt vooral te draaien op kapitaalkrachtige nostalgici. Wie dat wil, kan handenvol geld uitgeven aan dure verzamelboxen met herdrukken van Kari Lente of Dees Dubbel en César. Bij uitgeverij Adhemar is men recent gestart met luxueuze herdrukken van Willy Vandersteens serie Robert en Bertrand: hardcovers met linnen rug, in tweekleurendruk. Prijs per album: 25 euro. De reeks zal 65 titels tellen. In sommige sectoren is het geen crisis.
Ook Horsten stipt aan dat nostalgie steeds belangrijker wordt in de Belgische stripwereld: niet toevallig, schrijft hij, spelen de nieuwe avonturen van Blake en Mortimer zich af tijdens de Koude Oorlog, de tijdspanne waarin de serie zelf het populairst was.

Veel van wat in dit boek wordt beschreven, behoort onherroepelijk tot het verleden. Het weekblad Kuifje/Tintin bestaat al lang niet meer. Wat wèl blijft bestaan, is het werk van Hergé. Horsten verbaast zich openlijk over de hardnekkigheid van Kuifjes populariteit. ‘Kuifje, dat was een relict uit die tijd van het grote, brede avontuur, met de held die onvervaard de hele wereld rondschoot. De tijd dat de wereld nog nadrukkelijk géén dorp was. (...) Net omdat Kuifje een échte vooroorlogse avonturier was, met wortels in de scoutsbeweging, zou hij ongetwijfeld snel gedateerd zijn en zijn publiek verliezen.’ Die vrees, ook aanwezig bij Hergé zelf, is niet bewaarheid. Kuifje leeft nog steeds, zij het minder in de albums dan als icoon. Hergé’s oeuvre heeft kunstzinnige waarde verworven. Als Charles Burns in zijn comic X verwijst naar Hergé, dan is dat niet naar diens verhalen, maar naar zijn stijl, de heel persoonlijke beeldtaal die hij creëerde. De albumserie, die op bevel van Hergé werd stopgezet na diens dood, volgt op ruime afstand. Benieuwd of dat zal veranderen nu de Spielberg-verfilming in de zalen loopt.

Toon Horsten, Kinderen van Kuifje. Linkeroever Uitgevers, 160 bladzijden, € 19,90. Deze recensie werd geschreven voor het cultuurmagazine Staalkaart.

0 reacties: