Vandaag: Oud-Loosdrecht van Sipko Melissen (Van Oorschot). Waarin een schrijver gedumpt wordt.
Wie? Sipko Melissen (° 1941) schreef poëzie, novellen en romans. Ik geloof dat hij doorgaans heel redelijke recensies krijgt, en zijn vorige roman, Een kamer in Rome, stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs, maar echte bekendheid zit er voor hem blijkbaar niet in.
Buzz? Totaal niet.
Vooroordeel van de dag? Geen.
Wat was de vraag? Is de spurned lover definitief ouwe koek?
De eerste vijftig bladzijden... De centrale paradox van de roman zit vervat in de allereerste zin. Die gaat als volgt:
Op een zaterdagmiddag, eind januari, nadat ik een lezing had bijgewoond over de stoïcijn Seneca, moest ik de impuls onderdrukken om een steen door een van de ruiten van kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae te smijten.
Stoïcijns je emoties in beschaafde banen leiden – ‘je bevrijden van de emoties door je opvattingen over de wereld te veranderen’ –, het valt te proberen, maar de kans op succes is niet groot.
Waarom is Wijnand Brandt, hoofdpersoon van Oud-Loosdrecht, zo boos? Omdat hij schrijver is, en in die kunstenaarssociëteit vindt de nieuwjaarsreceptie plaats van zijn uitgeverij, Ypsilon. Waarvoor hij dus geen uitnodiging ontving. Hij, de niet-zo-best verkopende fondsauteur, is in stilte gedumpt.
Handelden romans vroeger niet vaak over spurned love, geweigerde liefde? Tegenwoordig zijn het niet meer minnaars die worden afgewezen, maar schrijvers. En de partij die met priemende wijsvinger de uitgang van het paradijs aanduidt, is niet meer de vriendin, maar de uitgever. Een roman, zegt Melissen door de mond van Wijnand, ‘ontstond in de spanning tussen mij en de onbekende lezer, waarbij de uitgeverij als bemiddelaar optrad. Viel de uitgeverij weg, dan viel het schrijven weg.’ De schrijvers van De Bezige Bij Antwerpen zullen weten waarover Wijnand het heeft.
Wijnands enige perspectief is een middernachtelijk spaghettifeestje bij zijn jeugdvriend Abe. Zo begint een zwerftocht door een winters Amsterdam, om de tijd te doden tot middernacht.
Hoe gelezen? Omdat Van Oorschot mordicus weigert om pdf's rond te sturen: eindelijk nog een drukproef op papier gelezen. Fijn!
Je kunt uit die eerste zin ook al Sipko Melissens stilistische watermerk opmaken. Een boek beginnen met een ‘Op een zaterdagmiddag...’, het is van een hyperouderwetse deugdelijkheid. Je kunt opwerpen dat Melissens stijl persoonlijkheid mist (wat toch een mespuntje problematisch is, na vier romans en twee novellen), dat je in zijn literaire stem de echo hoort van honderden andere, even middelmatige scribenten.
Je merkt dat ook in de sfeerschepping, die roekeloos langs het clichématige scheert. ‘Ik hoopte op deze plek tot rust te komen, door gewoon te zitten, met mijn gezicht in de zon, te kijken naar het water, de steiger met bootjes, de kleine wolkjes als krijtvegen op een blauw schoolbord.’ Naar mijn smaak gaat deze zin de verkeerde kant vanaf het (sowieso altijd gevaarlijke) woordje ‘als’.
Anderzijds koester ik wantrouwen tegen meer getalenteerde schrijvers, die stilistisch een hoge vlucht nemen maar geen zinnige gedachte konden uitwerken, al hing hun leven ervan af. Op dat laatste vlak lijkt Melissen me alvast een stúk hoger te scoren. Hij laat zijn schrijver nadenken over diens onaffe roman Oud-Loosdrecht, over de jeugdvriend op wie hij stiekem verliefd was (een Kartonnen dozen-situatie), over Diogenes en de vraag wat wij in het leven écht nodig hebben, over lichamelijkheid in de poëzie van Kaváfis... Een minimale plot, vermoed ik, waarin veel ruimte is voor essayistiek.
Doorlezen?
Jazeker. Je voelt dat er denkwerk in deze roman gekropen is. Dat maakt de bezwaren over de stijl onbelangrijk.
Volgende aflevering:
doorlezen of niet in Kinderen van Rousseau van Paul Claes?
Mark Cloostermans leest voor deze rubriek de eerste 50 bladzijden van een nieuw boek, brengt verslag uit van zijn leeservaring en beantwoordt ten slotte de vraag: lees ik door in dit boek... of toch maar niet?

Geen opmerkingen:
Een reactie posten